8. GENNEGERBROEK 1940-1945



De oorlogsjaren (1940-1945) in Gennegerbroek.

                      (Herinneringen van Kees Hoksbergen)

 

Gennegerbroek is het poldergebied, dat tegen het buurtschap Genne aan ligt.

Er stonden in de oorlogsjaren in Gennegerbroek eigenlijk nog maar 2 boerderijen. Van de familie Hoksbergen en van de familie Weijer.

De boerderijen waren slechts via een zanderige polderweg vanuit Genne te bereiken. Het betekent natuurlijk wel dat in de oorlogsjaren de boerderij erg afgelegen lag, met een vrij en ruim uitzicht alle kanten op. Dat gaf aan de ene kant een stuk veiligheid, maar als er gevaar was, kon je ook moeilijk ongezien de boerderij verlaten. Er was, naar ons idee, veel ruimte om je te verstoppen tussen stro en hooi op de hilde, (een lage zoldering boven de koeien), in de twee grote hooibergen achter het huis, of in de wagenschuren.

 

    

                                           De boerderij heette: “Oversticht”,  hier de voor- en achterkant

 

Ongeveer 500 meter achter de boerderij lag een verwilderde eendenkooi.

Het was een pracht plek om te spelen en eieren te zoeken. En in de oorlogsjaren bleek het, in geval van nood, een mooie schuilplaats te zijn

.

Een foto uit 1934 achter de hooibergen: moe met Dirk, Belie en Kees

En knecht Derk Doorn en een dienstbode

 

10 mei 1940. Mijn eerste herinnering.

We schrikken vroeg wakker van luide stemmen buiten en van harde knallen in de verte.  In onze grote slaapkamer, waar we met drie of vier kinderen slapen, is iedereen meteen wakker. Wat een drukte buiten.Wat is er aan de hand? Het is nog geen 6 uur en nu al dat lawaai?

We horen onze va praten met een paar boeren uit Genne. Die zijn natuurlijk op weg naar de koeien in de wei, om te melken. Er wordt gepraat over ‘oorlog’. Dat zegt ons natuurlijk niet zo veel. Het klinkt spannend, maar we hebben natuurlijk geen idee wat dat betekent en zal gaan betekenen. Het wordt die dag een prachtige zonnige dag. Maar wel een dag met veel spanning. Va en moe praten alleen maar over de oorlog. En allerlei mensen die langs komen hebben het er ook over. Wat zal er verder gebeuren? We merken eigenlijk nog niet veel van de oorlog. Alleen zo nu en dan gerommel en gedreun in de verte.

 

De eerste jaren.

De eerste jaren verlopen voor ons tamelijk ongestoord. Wel kwam er meer ‘vreemd’ volk over de vloer dan vroeger, dat merkten we natuurlijk wel.

Het zal, denk ik, in 1943 geweest zijn dat de eerste echte onderduiker in huis komt. Het is Jan. Jan komt uit het voor ons verre Holland, uit de buurt van Haarlem. Jan is geen boerenjongen, dat is wel te merken. Hij doet dienst als een soort hulp in de huishouding. Wat de reden is dat hij bij ons komt wonen weten we dan niet precies. Het heeft te maken met ruzie met de Duitsers, dat begrijpen we. Al heel snel hoort Jan er gewoon bij.

In tussen zijn er ook regelmatig allerlei andere logees. Soms maar voor een dag of voor een paar dagen. Als kinderen zijn we daar snel aan gewend. Wel wordt steeds nadrukkelijker gezegd er nooit en met niemand over te praten. Achteraf weet ik dat die ‘gasten’ soms voor een soort tussenstop  bij ons worden ondergebracht om daarna verder te trekken.

Het leven op de boerderij gaat intussen gewoon door. De enkele Duitser die we wel eens zien, bekijken we met de nodige argwaan. In Hasselt, waar we naar school gaan, zien we natuurlijk wel eens wat meer van de bezetters. Toch is het voor ons kinderen een betrekkelijk onbezorgde tijd.

Later merken wij langzamerhand natuurlijk ook wel dat het er niet prettiger op wordt.

                      Dirk Belie en Kees in 1940

 

De oorlog duurt langer.

Achteraf denk ik dat we zo rond 1944  steeds meer gaan merken dat de oorlog geen grapje is. De sfeer wordt grimmiger en voor ons  soms wat angstiger. Het nachtelijk gedreun van de bommenwerpers maakt ons vaak bang. Zal er niet iets gebeuren. Een bom of zo? Ook overdag wordt het in de lucht steeds drukker. Het gedreun van het Duitse afweergeschut rond Zwolle is vaak duidelijk te horen. We worden gewaarschuwd voor  rondvliegende scherven. Niet ten onrechte, want we horen de scherven wel eens op het dak tikken. Gelukkig zijn het blijkbaar maar kleine scherfjes, want er gebeuren daardoor bij ons geen ongelukken.

Ook ervaren we het straatbeeld in Hasselt als grimmiger. Je wordt voorzichtiger en kijkt argwanender om je heen. Als ik naar school ga, krijg ik onder in mijn broodtrommeltje wel eens een briefje mee, dat ik moet afgeven bij een oom in Hasselt of bij kruidenier Galenkamp. Achteraf heb ik beter begrepen, waarom die berichtjes niet voor iedereen waren bestemd.

Er komen steeds vaker ‘gasten’ op de boerderij. Ook bekenden uit Hasselt ‘logeren’ bij ons. Naast onze bekende Jan, komt ook de postbode ‘Gait’ (in werkelijkheid Arend Veldkamp) regelmatig bij ons ‘logeren’. Hij  is voor ons kinderen, een  graag geziene gast.  Gait is geweldig lenig en kan ons erg vermaken met zijn kunsten..

Ook de broers Jan en Gerrit Admiraal ‘logeren’ een tijd bij ons. Een standaard vraag van mijn moeder bij het eten in die tijd is: “Jan moet je nog wat”. Waarop Jan Admiraal (blijkbaar een goede eter) steevast antwoordt: “Zat genogt vrouw Hoksbargen”. Die uitdrukking wordt nu nog steeds regelmatig gehoord in de familie: “Zat genogt vrouw Hoksbargen”.

Ook herinner ik me nog dat een voor mij onbekende familie bij ons wat meubels en andere zaken op komen slaan. Later heb ik gehoord, dat deze familie op de vlucht was voor de Duitsers. Het is voor ons als kinderen toch wel een verwarrende en ook onrustige tijd.

 

Soms gevaarlijk, maar ook vaak gezellig.

Er zijn ook wel eens spannende momenten. Als een politieman ui Hasselt onverwachts het erf opkomt, maken de verschillende ‘gasten’ dat ze zich snel verstoppen. Een aantal schiet de hooiberg in. De politieman ziet niets (?). Mijn jongste zus (een jaar of 3) staat met mijn moe bij de politieman en zegt: “wij hebben van die rare kerels, ze klimmen in de hooiberg”. Gelukkig houdt de politieman zich van de domme. Maar het zijn natuurlijk voor de volwassenen wel spannende en gevaarlijke momenten

Regelmatig komen er allerlei mensen, o.a.  ook uit Zwolle, die blijkbaar bij ons zaken te bespreken hebben. Een paar namen herinner ik me nog. Zoals de broers Tensen. Het is een hele schok, ook voor ons als kinderen, als we tegen het eind van de oorlog horen, dat de jonge Wim Tensen is doodgeschoten. Wim kwam regelmatig bij ons, hij was een forse knaap, jonger dan hij leek. Hij is in mijn herinnering gewoon een leuke jonge kerel, die gezellig en speels met ons als kinderen omging. Hij sprak wat lispelend en ik hoor hem nog zeggen: “Zie kriegt Wim nooit”. Maar helaas.

Via mensen uit Hasselt (of Zwolle) komen er soms waarschuwingen voor mogelijke razzia’s. De op dat moment aanwezige onderduikers verdwijnen dan naar de verwilderde eendenkooi in de polder achter de boerderij. Als jongen heb ik wel eens eten gebracht, zogenaamd voor de werkers in het land, maar in werkelijkheid bestemd voor de onderduikers in de schuilplaats in de kooi. In mijn beleving is dat maar een enkele keer gebeurd. Wel een bewijs dat het bij ons in die eenzame polder betrekkelijk veilig is geweest. Wel spelen we (ook na de oorlog nog) in en rond de schuilplaats in de kooi.

Uit de oorlogsjaren herinner ik me  ook nog wel mooie momenten. Ik zie moe nog boven op een stoel staan en onderduiker Jan met een levende muis in zijn hand. Of ’s avonds met een grote club in de bijkeuken. Best vaak plezier. Een eigen gemaakte ‘windmolen’ op het dak. Arend Veldkamp is een rasechte knutselaar. Van een fietswiel met schoepen en een dynamo erbij kregen we bij wat wind soms echt wat stroom. Al is het maar een straaltje van een fietslamp. Verder herinner ik me nog, dat er aan het eind van de avond  soms met z’n allen staande het Wilhelmus wordt gezongen. Dat is voor iedereen in die tijd, maar ook voor ons als kinderen, een echte belevenis.

Onderduiker Jan is gewoon het dienstmeisje dat voor veel dingen zorgt. Dat Jan er de moed wel inhoudt  blijkt wel uit het verhaal van een zus van me die zich herinnert dat Jan soms gewoon als grap aan moe vroeg:”wat nemen we erbij, een stukje koek of een stukje taai”.

Ook het plezier dat ze allemaal hebben als moe een Duitse soldaat die paarden komt vorderen er van weet te ‘overtuigen’ dat de brug over de sloot voor het huis niet meer betrouwbaar is. (later komt er een dam over die sloot)

Er is ook nog een verhaal dat moe met een bezem een Duitse soldaat Willy van het erf heeft gejaagd. (of het waar is?)

 

Hendrik en Aaltje Hoksbergen kort na de oorlog

 

 

Inkwartiering.

In de winter 1944-1945 gebeurt er iets bijzonders. Op een middag is er een luchtgevecht aan de gang. Hoewel er altijd wordt gewaarschuwd voor gevaar (rondvliegende kogels), staan onderduiker Jan  en ik voor het huis te kijken. We zien dat een Duitse jager een Engelse bommenwerper neerschiet. Dat vliegtuig komt ergens ten noorden van Zwolle neer. Een angstig gezicht. Dan zien we verder, dat Engelse jagers het Duitse jachtvliegtuig achtervolgen en ook raken. De Duitse jager maakt een grote bocht naar beneden en komt over de Vecht recht op onze boerderij af (zo lijkt het in onze ogen in elk geval). We staan stijf van schrik af te wachten wat er gebeurt. Met een laatste bocht schiet de jager dan toch nog net voor de boerderij van de buurman Weijer langs en komt daar, iets verder op, in een weiland terecht.

Het is een gebeurtenis, die ik mijn leven lang niet vergeet. We proberen te gaan kijken, maar binnen de kortste keren is er Duitse bewaking en we mogen niet in de buurt komen.

Maar dan gebeurt nog het meest spannende. Er komen Duitse soldaten die bij ons ingekwartierd willen worden. Bij buurman Weijer was de vrouw ziek, geloof ik, en dus komen ze bij ons. Protesteren helpt natuurlijk niet en het resultaat is, dat er een korporaal en drie soldaten bij ons in huis komen.

Zo doet zich het merkwaardige feit voor, dat naast de onderduikers (en dat zijn er in mijn herinnering toch wel een stuk of zes) ook vier Duitsers op de boerderij aanwezig zijn. De eerste dagen zijn de meeste onderduikers onzichtbaar. Alleen Jan is gewoon actief in huis. Op een vraag van een van de Duitsers wat die jonge man hier doet, zegt moe dat Jan dienst doet als een soort dienstbode. “Goede dienstbodes zijn niet beschikbaar”, zegt ze. Uit verhalen heb ik begrepen, dat de Duitsers nog wel hebben aangeboden voor een vrouwelijke huishoudelijk hulp te zorgen, maar daar wilde moe geen gebruik van maken.

Later blijkt dat de vier aanwezige Duitsers best in de gaten hebben wat er allemaal aan  de hand is. Maar ze hebben net zo’n hekel aan de oorlog en aan Hitler als wij. We maken zo rechtstreeks mee dat er ook ‘goede’ Duitsers zijn. Zelf heb ik gezien, dat er op een grote motor met zijspan een paar Duitsers komen om eten te brengen voor de schildwachten. De motorrijder was een forse kerel met een grote snor. Mijn moeder zei: “het lijkt Hitler wel”. Waarop de korporaal zogenaamd zijn geweer op hem richt en zegt: “was het maar waar”.

Een van de andere Duitsers is een oudere boer uit Oldenburg. Mijn vader kan goed met hem praten in een soort dialect. Een beste kerel, die erg verlangt naar thuis en zijn boerderij. Hij is van plan om na de oorlog contact op te nemen. Dat is nooit gebeurd. We weten ook niet wat er van hem is geworden. Na enkele dagen eten ze dikwijls gewoon, met hun eigen kostje, mee aan tafel. Een jongere zus van mij herinnert zich nog dat ze op de knie van een Duitser gevoerd wordt. Boter karnen mag officieel niet, maar zoals, denk ik, bij de meeste boeren ,

gebeurt dat natuurlijk wel. In een melkbus met een gat in het deksel wordt met handkracht gekarnd. Als een van de Duitsers opmerkt, dat dit eigenlijk toch niet mag, zegt moe:  “Als je boter op je brood wilt dan help je maar even mee”. Met het gevolg dat onderduiker Jan samen met een Duitse soldaat staat te karnen.

Hoe lang de soldaten precies gebleven zijn weet ik niet, maar volgens mij toch wel minimaal een week. Het is winter en er ligt ijs. Met de Duitsers mogen we op een keer zelfs mee om het vliegtuig te  bekijken. Het is de eerste (en ook de enige keer) dat ik in de cockpit van een jachtvliegtuig heb gezeten.

 

De laatste maanden.

In de laatste winter is er ook nog een Engelse piloot aan de deur geweest.

Op een donkere winteravond zijn va en moe weg naar Hasselt. Jan, de onderduiker, is ook weg, ergens (?) naar toe. De knecht (Derk Doorn), en een dienstbode (?) passen op. Er wordt aan het raam geklopt.  Derk kijkt achter het gordijn naar buiten en schrikt enorm. Hij ziet een bebloed gezicht. Van angst durft hij de deur niet open doen. De angst is ‘besmettelijk’ en allen verstoppen ze zich in de slaapkamer. Als va en moe thuis komen begrijpt onze va direct wat er aan de hand is. Hij heeft al gehoord dat er Engelse vliegers per parachute uit een neergeschoten vliegtuig in de buurt zijn neergekomen.

Hij gaat nog op zoek het land in, maar weet de piloot helaas niet te vinden. Wel een piloten-overal, die jaren lang door Derk Doorn als werkoveral is gedragen. Later horen we dat de piloot richting de Lichtmis is getrokken en daar tenslotte is opgepakt. Dit zijn toch wel spannende gebeurtenissen.

In de laatste oorlogswinter is vader ook nog een keer opgepakt in Hasselt.

Waarvoor precies weet ik niet, maar hij wordt met anderen opgebracht naar de Openbare Lagere school. Met een of andere smoes is vader er toen tussen uit geknepen. Zogenaamd om zijn papieren te halen heb ik horen zeggen. Hij houdt zich dan een paar dagen wat rustig. Maar omdat de Duitsers geen papieren hadden, hebben ze blijkbaar geen adres kunnen achterhalen.

 

Bevrijding.

Het is 13 april 1945. Dirk is jarig, hij wordt 16 jaar. We zijn samen aan het eieren zoeken. Altijd een fantastisch iets. Opeens zien we vanuit de polder dat er in de verte bij de boerderij vreemde platte autootjes te zien zijn. We gaan snel op huis aan. Het zijn een soort platte tanks. Klein van formaat. Ze noemen het een brencarrier (soort ‘’gevechtswagens’). We staan met z’n allen de wagens en vooral de soldaten vol bewondering te bekijken. We krijgen vreemde snoepjes: kauwgom. Nog nooit van gehoord. Maar wel lekker. Chocolade hebben ze ook. Dat hebben we natuurlijk ook in jaren niet gezien.

Die soldaten hebben blijkbaar geen gebrek. Als moe ze een boterham met een paar flinke plakken vlees met spek eraan geeft, geven ze tot onze verbazing het spek aan de hond. Dat zijn we niet gewend als er mensen wat eten krijgen. De Canadezen zijn, meen ik, met hun carriers vanuit de richting Ommen gekomen. Ze willen verder naar Hasselt. Dat kan binnendoor. Met veel geraas gaan de twee wagens richting Hasselt. Maar halverwege onze boerderij en de boerderij van Weijer is er een bocht in de weg. Ook de sloot ernaast maakt die bocht. Omdat de chauffeur  erg laag zit, ziet hij de bocht te laat en duikt met zijn ‘brencarrier’ de sloot in. Er volgt een drukte van belang. De andere wagen lukt het niet om de gestrande gevechtswagen eruit te trekken. Boer Weijer komt met een span paarden en weet de wagen er weer uit te trekken.

 

                      De zes kinderen Hoksbergen

 

Met de bevrijding ben ik nog met onderduiker Jan naar Hasselt geweest.  Dat herinner ik me nog goed. Veel mensen, juichen, zingen. Een echt feest. Op de schouders van Jan gezeten zie ik dat een paar jonge vrouwen door mannen met armbanden om, gevangen zijn genomen. (dat zijn ‘moffenmeiden’ wordt er geroepen). Op de kade aan het Zwartewater worden ze vastgehouden en door anderen kaal geknipt. De Hasselter veldwachter wil het niet hebben, maar een paar Canadeze soldaten houden hem tegen en het ‘feest’ gaat toch door.

Eerlijk gezegd vind ik het een akelig gezicht.

En voor een jongen van 11 jaar is dat, denk ik nu, ook geen wonder.

In mijn beleving gaat het leven daarna weer snel zijn gewone gang.